2.1 Uitgangspunten Programmabegroting 2027-2030

We staan voor een gedegen financiële koers. Een sluitende begroting en een gezond meerjarenperspectief zijn hierbij noodzakelijke randvoorwaarden. Omdat 2026 een verkiezingsjaar is, is deze voorjaarsrapportage beleidsarm opgesteld.

De (financiële) uitdagingen voor gemeenten zijn en blijven onverminderd groot, de beschikbare middelen staan onder druk. Bij de Voorjaarsrapportage 2025 werd een pakket maatregelen doorgevoerd waarmee de begroting voor 2026 en 2027 sluitend werd gemaakt. Dit pakket was gebaseerd op het uitgangspunt niet meteen ingrijpend om te buigen, maar ook tijd te kopen en keuzes te laten aan de nieuwe coalitie. Drastische maatregelen hebben we daarbij weten te voorkomen, het maatschappelijk middenveld is ontzien en er zijn geen algemene lastenverhogingen, behoudens inflatiecorrectie, voor onze inwoners doorgevoerd. Positieve ontwikkelingen bij de mei- en septembercirculaire 2025 van het gemeentefonds leidden ertoe dat de onttrekkingen aan de Algemene dekkingsreserve als structureel dekkingsmiddel voor 2026 en 2027 tot nihil verlaagd konden worden. Daarbij ontstond er een licht positief saldo voor de jaren 2026 en 2027.

Alhoewel wij deze voorjaarsrapportage beleidsarm opstellen, zijn er onontkoombare ontwikkelingen met invloed op het meerjarenbeeld. De autonome ontwikkelingen in deze voorjaarsrapportage leiden ertoe dat wij toch een beroep doen op de Algemene dekkingsreserve om de jaarschijven 2026 en 2027 sluitend te maken. Door deze maatregel voldoen wij aan de regel dat de begroting structureel en reëel in evenwicht moet zijn, voldoen wij aan de eisen van de toezichthouder en is er voldoende tijd voor de nieuwe coalitie om keuzes te maken voor het structureel sluitend maken vanaf 2028. Daarbij kunnen de actuele ontwikkelingen vanuit het Rijk dan betrokken worden. De jaarschijven 2028, 2029 en 2030 leveren een oplopend tekort op tot € 10 miljoen in 2030.

De bestuurlijk verhoudingen met het Rijk zijn de afgelopen jaren behoorlijk onder druk komen te staan. Rijk en gemeenten stonden inhoudelijk en financieel soms lijnrecht tegenover elkaar. Het coalitieakkoord van het kabinet erkent dit en wil werken aan het herstel van de interbestuurlijke verhoudingen. Deze inzet wordt door de gemeenten gewaardeerd en leidt tot perspectief. Zorgelijk daarbij is dat de hoge ambities lang niet altijd voldoende financieel onderbouwd zijn. Zo biedt het regeerakkoord geen perspectief op het, van 2026 naar 2028 doorgeschoven, ravijnjaar. Ook is er geen reservering opgenomen voor compensatie op basis van de deskundigencommissie Van Ark voor de kosten van de Jeugdzorg. Daarnaast is er een financieel risico dat de taken en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit het GALA-, IZA- en AZWA-akkoord verder toenemen, terwijl de structurele bekostiging vanuit het Rijk mogelijk onvoldoende meegroeit.

De publicatie van het rapport 'Groeipijn' van de deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd (commissie Van Ark) in 2025 heeft duidelijk gemaakt dat het Rijk tekort is geschoten naar de gemeenten. Ook de Raad van Openbaar bestuur concludeert in het advies Afrekenen met disbalans, dat er een disbalans bestaat tussen taken, bevoegdheden en middelen van gemeenten. Hoe het kabinet om zal gaan met deze disbalans, is nog niet duidelijk. Op basis van het rapport Van Ark zijn door het vorige kabinet incidenteel middelen toegevoegd tot en met 2027. Vanaf 2028 verwacht het Rijk dat de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd het beoogde effect hebben en een besparing van € 1,5 miljard zal opleveren. Daarnaast is er ook nog onzekerheid ontstaan hoe de ambitie van dit kabinet om huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening uit de Wmo te schrappen zal uitpakken voor de gemeenten. Begin 2027 wordt een nieuw rapport van de commissie Van Ark verwacht. De commissie monitort de voortgang van de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd en brengt de ontwikkelingen en de uitgaven in beeld. Ook wordt gekeken of de gezamenlijke inspanningen daadwerkelijk bijdragen aan de beweging die gemeenten en Rijk willen bereiken in de jeugdzorg. Duidelijkheid over voldoende bekostiging voor de jeugdzorg, en hoe het kabinet daarmee wil omgaan, kan dus niet eerder dan 2027 worden verwacht.

Onzekerheden

Inflatie en rente

In deze voorjaarsrapportage is rekening gehouden met inflatie (loon- en prijsstijgingen) op basis van de prognoses in het Centraal economisch plan (CEP) van maart 2026. Doordat we werken met nacalculatie, verwachten wij dat er voldoende budget is om het vastgestelde beleid uit te voeren. Wel zien we dat de geraamde loon- en prijsstijgingen een extra nadeel veroorzaken doordat we via de algemene uitkering en de verhoging van de OZB onvoldoende extra middelen ontvangen om de indexaties te kunnen dragen. Afgelopen jaren was er sprake van hoge inflatie. De inflatie bevindt zich sinds het afgelopen jaar rond de doelstelling van de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB) van 2% op middellange termijn. Na een aantal jaren van renteverhogingen is de ECB in 2024 gestart met de verlaging van de rente in meerdere stappen. Sinds de verlaging bij de Voorjaarsrapportage 2025 wordt voor het aantrekken van langlopende geldleningen rekening gehouden met een rente van 3,0%. Dat percentage blijft in deze voorjaarsrapportage gelijk. Omdat de Nederlandse overheid, inclusief de gemeenten, voor de kredietwaardigheid een triple A status heeft, kunnen leningen tegen relatief gunstige voorwaarden aangetrokken worden. Het huidige geopolitieke klimaat, met onder andere de opgeworpen handelsbarrières, de oorlog in het Midden-Oosten en de stijgende defensie-uitgaven, leiden tot onzekerheden bij de inschattingen van de renteontwikkeling. Het risico bestaat dat de rente daardoor weer gaat stijgen.

Algemene uitkering

Door het Rijk wordt gewerkt aan een herijking van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Deze herijking zou in 2027 doorgevoerd moeten worden. Op basis van de nu bekende informatie is niet in te schatten of onze gemeente een voor- of nadeelgemeente is. Als de herijking inderdaad met ingang van 2027 wordt doorgevoerd, worden de gevolgen bij de meicirculaire gemeentefonds 2026 duidelijk.

Conclusie

Het ravijnjaar is vooruitgeschoven. De inkomsten uit het gemeentefonds liggen in 2028 bijna € 5 miljoen lager dan in 2027. Als gevolg van de autonome ontwikkelingen maken we bij deze voorjaarsrapportage de begroting voor 2026 en 2027 toch sluitend door inzet van de Algemene dekkingsreserve. Daarnaast verwerken we in deze voorjaarsrapportage alleen noodzakelijke mutaties. Voorkomen moet worden dat de tekorten nog hoger worden. Op deze wijze creëren wij rust, voldoen wij aan de eisen van de toezichthouder en zijn er nog keuzes te maken door een nieuwe coalitie.

De financiële weerbaarheid van onze gemeente is goed. Bij de Jaarstukken 2025 hebben we gezien dat vrijwel alle indicatoren schuldpositie zich versterkt hebben. Dit geeft ons een goede uitgangspositie, ondanks dat wij minder middelen van het Rijk ontvangen. Dit wordt bevestigd in de benchmarks van de VNG en BDO over de financiële positie van gemeenten op basis van de jaarrekeningcijfers 2024 (zie brief aan de raad van 11 februari 2026 XS-26020309.1961). Ons weerstandsvermogen in de vorm van de Algemene dekkingsreserve is uitstekend. Bij de Programmabegroting 2026-2029 concludeerden we al dat de schuld zich op het laagste niveau van de afgelopen 15 jaar bevindt. Bij de Jaarstukken 2025 heeft deze trend zich nog verder voortgezet. In de toekomst blijft de ontwikkeling van de hoogte van de schuld wel een aandachtspunt. Wij verwachten, met name door realisatie van de grote woningbouwprojecten en de besteding van de daarmee verbonden subsidies die wij vooruit ontvangen hebben, dat de schuld gaat stijgen. Daarmee zal deze ten opzichte van andere gemeenten hoog blijven.